Het lukte niet in Arnhem, een week later niet in Amsterdam. Driemaal is scheepsrecht, zullen ze bij Ajax hebben gedacht. Met een 1-1 gelijkspel in Almelo, werd de 33ste titel uiteindelijk dan toch binnengesleept. De wedstrijd kende twee keurige doelpunten, maar ook zeer traag voetbal aan beide kanten. De laatste tien minuten speelden beide ploegen de bal rustig rond het eigen strafschopgebied. Frank de Boer werd eerst woedend om het spel, maar verliet zelfs breed lachend de bank voor een plaspauze.

Nicolai Boilesen kreeg in de eerste vijf minuten al een flinke kans op de 0-1. Na een uitstekende tiki-taka-combinatie kwam de linksachter in scoringspositie, maar zijn schot ging via een Almelo’s been naast de goal. Tijd om bij te komen van het snelle spel van de Ajacieden was er niet voor de thuisploeg. Het was zijn vrije trap van dertig meter afstand die via de onderkant van de lat tot doelpunt werd gepromoveerd. Een betere start leek Ajax niet te kunnen wensen.

Lang viel er echter niet te genieten van de 0-1. Simon Cziommer van Heracles liet ook zien een prima trap in de te hebben. Een fraai indraaiende bal van de Duitser belandde achter Jasper Cillessen in het net. In tegenstelling tot de bekerfinale tegen PEC Zwolle, liet Ajax het er niet bij zitten. Diverse keurige aanvallen leidden niet tot doelpunten. Dat wilde niet zeggen dat Heracles niets deed. Cillessen was met twee schitterende reddingen de gevierde man.

De tweede helft liet te wensen over. Ajax leek genoegen te nemen met een gelijkspel en bij Heracles leek zelfs het gevoel te spelen dat een overwinning niet ondenkbaar zou zijn. Frank de Boer stond springend en tierend langs de zijlijn. Na een tijdje was naast “Kampioenen olé olé!” ook “Wij willen voetbal zien!” op de tribunes te horen. De laatste tien minuten werd de salonremise ingezet. Zowel Ajax als Heracles mocht om de minuut de bal rustig rondspelen langs de eigen defensie.

Scoreverloop:
0-1 Lasse Schöne (’13)
1-1 Simon Cziommer (’22)

Opstelling Ajax:
Cillessen; Van Rhijn, Veltman, Denswil (’66 Poulsen), Boilesen; Klaassen, Blind, Serero; Schöne, Sigthórsson (’85 Duarte), De Sa (’66 Bojan)