© Proshots

Even voor uw beeldvorming: tijdens het schrijven van deze column ben ik aan het knipogen. Dat doe ik al sinds woensdagavond omstreeks 19:09. Vanaf het moment dat het hoofd van Bertrand Traoré een bal raakte op de manier waarop iemand die bang is voor de temperatuur van het water met zijn teen het wateroppervlak toucheert.

Ik knipoog niet in het bijzonder naar iemand in de ruimte waarin ik mij bevind. Het is knipogen in het luchtledige. Maar dat wil niet zeggen dat het eenzijdig ooglidklepperen aan niemand gericht is. Ik knipoog wel degelijk naar alle Nederlanders die Ajax dit succes niet gunnen. En ik knipoog naar Auke Kok, die zich meer en meer als zure oude man begint te profileren en de prestaties van Ajax onlangs onder handen nam in zijn eenmansbaggerbedrijf (heb je gekeken gisteren Auke?).

Maar bovenal knipoog ik naar de spelers en staf van Lyon. Het Lyon dat zo naarstig op zoek was naar een knipoog van een tegenstander. Een zoektocht zonder begin en zonder einde. Een strohalm vonden ze, maar voor cadeaus moet je in Kroatië zijn. Het was de perfecte wraak, een afrekening in zijn puurste vorm.

Meer nog dan een afrekening, was de wedstrijd Ajax – Lyon op 3 mei 2017 een tranentrekker in de meest positieve zin van het woord. Een roes die vierentwintig minuten en vijftien seconden nadat de scheidsrechter het startsignaal gaf begon en die nog in onverminderde vorm voortduurt. Gevoed door de beelden, de geluiden, de (buitenlandse) krantenkoppen en traanvocht dat zich zo nu en dan nog steeds ophoopt aan de randen van de ogen. Je gunt die traanbuisjes zo hard hun rust – volgende week moeten ze wéér vol aan de bak – maar het lijkt een slijtageslag te gaan worden voor de vochtvervoerders. Vandaag onderscheiden de buizen zich van de buisjes, zou Martin Jol gezegd hebben.

Gisteravond werden we op een wolk rozer dan babyroze in een kolkend stadion naar het eindsignaal gedragen en meegevoerd in het hemelse feestgedruis in en rond de Johan Cruyff ArenA. De eerste wedstrijd in de Johan Cruyff ArenA, wát een contrast met de openingswedstrijd in de Amsterdam ArenA. De Johan Cruyff ArenA is nu al gehuld in magie. De met nieuw leven geïnjecteerde voetbaltempel heeft zich na één wedstrijd al een bijzondere status aangemeten. Eén van onaantastbare aard.

‘We’ schoten vierentwintig keer, want anders kun je niet scoren. Tegenover ieder nadeel stonden wel veertien voordelen. Maar de schoonheid van de avond gaan we pas zien als we het doorhebben, als de roes onzer beide benen weer langzaam heeft teruggezet op aarde. Er bestaat eigenlijk geen beter jaar voor de wederopstanding van Ajax en van het Nederlands elftal. En als Ajax op 24 mei de beker verovert, kan Johan de dag erna – op Hemelvaartsdag – weer terugkeren naar zijn stekje, daar waar de engelen nog steeds zingen. Want hij heeft gezien dat het goed was.

Ajax is de strohalm waar het Nederlandse voetbal naar op zoek was. Het levende bewijs dat we nog niet dood en begraven zijn, en dat je nooit kansloos bent. Ajax heeft het laten zien: minderwaardigheidscomplexen zijn niet nodig. ‘We’ boezemen weer angst in op het Europese toneel. ‘We’ krijgen weer de waardering die we gewend waren te krijgen, maar al heel lang niet meer kregen. Het kan dus toch. Echt. Dat besef is onbeschrijfelijk lekker, hoewel het echte besef dat Ajax bezig is met iets heel erg bijzonders – een pagina van A1-formaat in het boek ‘Nederlandse voetbalgeschiedenis’ – nog niet voor de volle 100% contact heeft gemaakt met de landingsbaan van het bewustzijn.

Maar het besef dat er al wel is, is genoeg reden om lekker in het luchtledige te knipogen. Een achteloze, zelfverzekerde, resolute knipoog, boven een gore, zelfvoldane, onuitwisbare grijns. Minstens negentig uren lang, voor onze club uit Amsterdam. Maar ook voor Lyon, ook voor hen die het Ajax niet gunnen, en ook voor Auke. Voor even waan ik mij de Domagoj Vida van Amsterdam.