Hoewel er naar aanleiding van de ruim verloren bekerfinale tegen PEC Zwolle van afgelopen zondag weinig reden tot glimlachen was voor Ajacieden, komt die nederlaag volgens Johan Cruijff als een geschenk uit de hemel. De legendarische ‘nummer 14’ spreekt zich in zijn wekelijkse column in De Telegraaf uit over het leerproces waaraan hij sinds de fluwelen revolutie al vaak refereerde. “Na het derde landskampioenschap gaf ik al aan dat de club pas op 65 procent zit van wat het zou moeten zijn. Dan kan je wel blijven roepen dat dingen niet goed gaan, als Ajax de Johan Cruijff Schaal en de beker wint en dan ook nog voor de vierde keer achter elkaar de titel pakt, dan praat je toch tegen een muur aan.”

Cruijff ziet dus wel degelijk een voordeel – elk nadeel heb immers ook zijn voordeel – in de dag die zo mooi had kunnen worden maar uitliep op een regelrechte ramp voor iedereen die Ajax een warm hart toedraagt. “Ik ben eigenlijk blij met de afstraffing tegen PEC. Omdat heel veel zaken nu wel duidelijker dan ooit aan de oppervlakte zijn gekomen. Een beter voorbeeld van hoe het niet moet, kan je niet bedenken”, aldus Cruijff.  “Als je ziet dat de meeste spelers niet eens vanuit een taak kunnen spelen, dan kan het geen kwaad dat ze een keer keihard met de neus op de feiten worden gedrukt.”

Naast de kritiek op het spel van Ajax, richt Cruijff zich in zijn column tevens op de supporters die zich in zijn ogen misdroegen tijdens de finale in De Kuip. Eerder liet Cruijff zich al negatief over hen uit na de Champions League-ontmoetingen bij Celtic en AC Milan. “Ik kreeg daar veel boze reacties op, omdat het volgens de supporters allemaal best meeviel. Als je een echte supporter van Ajax bent, dan geef je die gasten aan om te zorgen dat ze zich nooit meer namens de club kunnen presenteren. Daarom was de uitblinker bij Ajax dit keer Edwin van der Sar. Hij hield zich wel aan zijn taak en deed met zijn verhaal richting de supporters precies wat hij moest doen.”